Patrick Dewael leest een teken des tijds in de rel rond Louis Paul Boon.
De gedeputeerde van Cultuur van de provincie Antwerpen verbiedt de tentoonstelling van de 'Fenomenale Feminateek' van de gewezen Vlaamse schrijver Louis Paul Boon in het Antwerpse FotoMuseum (DM 31/1 en 1/2). De heer Ludo Helsen die een probleem heeft met het pornografische gehalte van de foto's en wil vermijden dat het publiek deze 'aanstootgevende' foto's zou te zien krijgen. Het gevolg is dat de tentoonstelling nu verhuist naar Gent, dat men in Antwerpen op zoek moet gaan naar een 'bravere' collectie, en dat zowat heel Vlaanderen nu wel wil zien wat er verboden wordt.
Als gewezen minister van Cultuur vind ik het onaanvaardbaar dat een politicus zich mengt in de artistieke vrijheid van een museum dat net tot doel heeft maatschappelijke en schappelijke en cultureel relevante collecties voor te stellen aan een breed publiek. Het is niet aan de politiek om te beslissen wat volwassen bezoekers mogen zien of niet. Met deze beslissing loopt de CD&V-gedeputeerde het Vlaams Belang achterna die vanuit een eng mensbeeld alleen aandacht wil besteden aan culturele exploten die de eigen volksgemeenschap 'verheffen', Het is een verbazingwekkend staaltje van hypocriet puritanisme anno 2008, waarin vermeende gedeelde waarden en normen als alibi worden gebruikt om mensen een blinddoek om te doen.
Dat net werk van Louis Paul Boon wordt geviseerd, hoeft niet te verwonderen, Binnen katholieke kringen heeft men nooit opgelopen met beeldhouwwerken, boeken, muziek, films en foto's van vrijgevochten en kerkkritische kunstenaars die ingingen tegen de gangbare normen zoals die werden opgelegd vanuit een paternalistische visie op mens en samenleving. Ook Hugo Claus, Jef Geeraerts en Luk Perceval kregen in het verleden al te maken met de oekazes van deze bekrompen gedachtepolitie. Niet voor niets kwam het boek De Paradijsvogel van Louis Paul Boon uit 1958 terecht op de Index librorum prohibitorum, de Vaticaanse lijst van de verboden boeken die van kracht bleef tot 1966 maar ook nadien in tal van scholen en bibliotheken in de praktijk werd toegepast.
Dit voorval is geen toevallige gebeurtenis. Het past in een algemene tendens naar meer behoudsgezindheid die we de voorbije jaren, zowel in ons land als daarbuiten, ontwaren bij christendemocraten, populisten en extreem rechts. Een jaar geleden verscheen het boekje De mythe van het vrije ik van CD&V-huisideoloog Wouter Beke dat zowat de ethische leidraad vormt binnen de christendemocratische familie. Daarin schreef de auteur dat een grote groep van mensen zich pas echt vrij voelt "wanneer anderen voor hen keuzes maken en waneer zij gedragspatronen gewoon kunnen overnemen". De gevolgen hiervan zijn dan ook voorspelbaar en doen terugdenken aan de jaren vijftig waarin de macht van het gezinshoofd, de onderwijzer en de pastoor over respectievelijk de gezinsleden, de leerlingen en de parochianen absoluut was. Dat bij christendemocraten bepaalde door het geloof geïnspireerde waarden overheersen, komt in conflict met de zelfontplooiing die voor liberalen essentieel is om zich als mens te verrijken en te vervolmaken.
De tijdgeest keert zich tegen het individualisme, in het bijzonder tegen het recht op zelfbeschikking, dat nochtans beschouwd wordt als een van de belangrijkste verworvenheden van de voorbije decennia, in het bijzonder sinds het symbolische jaar 1968. Het is een tendens die erop neerkomt dat het individu opnieuw ondergeschikt moet worden gemaakt aan een groep, een traditie of een volksgemeenschap. Liberalen mogen dit niet laten gebeuren. We mogen de rechten en vrijheden, die producten zijn van de Verlichting en waarvoor onze voorouders zo gestreden hebben, niet te grabbel gooien. We moeten ons verzetten tegen het heroplevende paternalisme dat mensen hun keuzevrijheid ontzegt en waarin kritisch denken moet wijken voor volgzaamheid, gemanierdheid door geplogenheid, leergierigheid door onderworpenheid, individuele beoordeling door conformisme. De hedendaagse ayatollahs willen de mens opnieuw in hun mallen gieten.
Het verbieden van het tentoonstellen van de fotocollectie van een van de grootste Vlaamse schrijvers is een totaal verkeerd signaal. Het is niet aan de politiek om te oordelen of dit cultureel hoogstaand is of niet, maar aan de museumdirectie en de toeschouwers zelf. Zoniet, dan moet mijnheer Helsen maar snel alle boeken van Louis Paul Boon en in één klap die van Hugo Claus, Jef Geeraerts, Herman Brusselmans, Marquis de Sade, Henry Milier, Stendhal, Catherine Millet en anderen uit de openbare bibliotheken in zijn provincie halen. In elk geval heeft Helsen met zijn actie één zaak gerealiseerd, er zal veel volk zijn in Gent.