Gisteren werd in de congreszaal van de Kamer het vijfde congres gehouden over ‘Geheime diensten’. Traditiegetrouw richt het congresprogramma ook dit jubileumjaar de aandacht op de internationale context van intelligence and secret services. De ondertitel van het congres ‘The Spy Who Loved Me’ verwijst naar het deelthema ‘Economische-industriële spionage en Staatsbeveiliging’. Aanwezigen waren politici, beleidsverantwoordelijken, ambtenaren, diplomaten, academici, criminologen, magistraten, advocaten, de bewakings- en beveiligingssector, preventie- en politiediensten,... Er kwamen verschillende experts aan bod binnen het domein van de geheime diensten. Kamervoorzitter Patrick Dewael hield het openingswoord.
Het is een problematiek die in het verleden te weinig aandacht kreeg maar vooral sinds het begin van de War on Terror in 2001 brandend actueel is. De Patriot Act onder George W. Bush maakte het mogelijk dat politie- en andere veiligheidsdiensten telefoon en GSM konden aftappen, e-mail en internetverkeer konden onderscheppen, geheime huiszoekingen konden doen, vertrouwelijke financiële en medische gegevens opzoeken,… En dan spreken we nog niet over Guantanamo Bay of de gebeurtenissen in de gevangenis van Abu Ghraib in Irak. De Amerikaanse overheid heeft die laatste praktijken wel snel veroordeeld, maar het is duidelijk dat die enkel konden plaatsgrijpen in een klimaat van normvervaging waarin de strijd tegen terreur toen gevoerd werd. Als minister van Binnenlandse Zaken stond Patrick Dewael steeds wantrouwig tegenover die praktijken. Elke inbreuk op de privacy, rechten en vrijheden van de mensen betekent immers een capitulatie tegenover de terroristen. Vaak ontstaat de indruk dat men bepaalde rechten en vrijheden opheft voor een soort van virtuele vrijheid.
Politici en beleidsmakers moeten er dus steeds opnieuw over waken dat de veiligheid niet ten koste gaat van de privacy van mensen. Elke regering moet maatregelen nemen maar in een democratie bestaan er ook grenzen aan die macht van de gemeenschap over het individu. Elke maatregel die de vrijheid van het individu beperkt, moet kunnen getoetst worden door de wetgevende en rechterlijke en door de vrije pers. Het risico dat in naam van veiligheid de uitvoerende macht plots meer impact krijgt, terwijl de wetgevende en rechterlijke macht ter plaatse trappelen, is immers reëel.